Een cesuur in het onderwijs is een grens die altijd is gekoppeld aan een besluit. Boven de grens neem je een ander besluit dan onder de grens: voldoende of onvoldoende, geslaagd of niet geslaagd, toegelaten of afgewezen. Maar hoe bepaal je de cesuur? Welke overwegingen spelen hierbij een rol?
Er zijn ook evaluaties in het onderwijs waarbij een grensbesluit niet relevant is. Bijvoorbeeld bij het meten van de progressie en ontwikkeling van een student. In dat geval is er helemaal geen cesuur nodig (Eggen, Veldkamp, De Jong, & Haitjema, 2015).
Gewenste beheersingsniveau
Belangrijke uitgangspunten bij het bepalen van de cesuur zijn het gewenste beheersingsniveau, de moeilijkheidsgraad van de leerstof, het belang van de toets in het examenprogramma en de moeilijkheid van het examen.
Bij een medisch specialist zal een hoger beheersingsniveau vereist worden dan bij een beroep waar theoretische kennis een kleinere rol speelt. En bij een toets in het eerste leerjaar zal een ander beheersingsniveau nodig zijn dan bij een toets in het laatste leerjaar.
Betrouwbaarheid van de toets
De betrouwbaarheid van een meerkeuzetoets kan bepaald worden met Cronbachs alfa. De lengte van een toets speelt hierbij een grote rol; hoe meer vragen in een toets, hoe betrouwbaarder de toets. Cronbachs alfa kan tussen de 0 (niet betrouwbaar) en 1(maximaal betrouwbaar) liggen (Van Berkel, Bax, & Joosten – ten Brinke, 2017).
Idealiter ligt de alfa hoger dan 0,8. Bij een lagere alfa kunnen geen doorslaggevende beslissingen genomen worden op het resultaat van de toets alleen. Bij een toetsanalyse zullen vragen mogelijk een negatieve Rit-waarde hebben, wat kan wijzen op een verkeerde sleuteling. Deze vragen moeten verwijderd of gerepareerd worden. Te veel vragen verwijderen zal de representativiteit verlagen, dus hier is voorzichtigheid geboden.
Raadkans
Bij een toets met gesloten vragen (meerkeuzetoets) is het belangrijk om rekening te houden met de raadkans. Bij een vraag met 4 afleiders is de raadkans 25% en bij een vraag met 3 afleiders is de raadkans 33%. Dit maakt dus verschil voor het bepalen van de cesuur. Maar ook voor de omvang van het examen (Van Berkel, Bax, & Joosten – ten Brinke, 2017).
Absolute en relatieve methoden
Een absolute methode houdt geen rekening met de behaalde resultaten van de studenten onderling. De cesuur wordt bepaald voordat een examen wordt afgenomen.
Een relatieve methode houdt rekening met de prestaties van de studenten. De cesuur wordt na de afname van een examen bepaald. In Tabel 1 worden een aantal cesuurbepalingsmethoden benoemd.
Tabel 1 Cesuurbepalingsmethoden

Raschmodel
Een student behaalt een voldoende (cijfer 5,5 of hoger) als deze tenminste 50% van het getoetste niveau beheerst. Bij studenten die een 5,5 of hoger scoren, is de kans groter dat ze de leerstof wel beheersen, dan dat ze deze niet beheersen. Deze uitspraak wordt aangetoond met het Rasch model. Dit model laat zien dat de consistente beantwoording van vragen wordt bepaald door de positie die een student inneemt ten opzichte van de leerstof. Het model laat geen ruimte voor misleiding en gokken (Rasch, 1960).
Angoff procedure
Voor het bepalen van de cesuur kan ook de Angoff procedure worden gevolgd. Bij deze relatieve cesuurbepalingsmethode worden de toetsvragen beoordeeld vanuit inhoudelijk gestelde leerdoelen. Inhoudsdeskundigen beoordelen of een student van voldoende niveau een examenvraag goed zou kunnen maken. De deskundigen beoordelen de examenvragen los van elkaar en bij afwijkingen wordt gediscussieerd. De deskundigen gaan bij deze beoordeling uit van studenten die de stof net voldoende beheersen.
De werkelijke resultaten van de examenvragen kan aanleiding zijn voor de inhoudsdeskundigen om de mening bij te stellen. De individuele meningen worden gemiddeld, wat leidt tot een cesuur (Van Zanten, 2012). Een mogelijk nadeel van deze procedure is dat de zak/ slaaggrens te hoog komt te liggen waardoor studenten deze niet kunnen behalen.
Tabel 2 Voorbeeld cesuur met Angoff procedure

Methode Ebel
Bij de methode Ebel bepaal je de cesuur aan de hand van de relevantie en de moeilijkheid van elke toetsvraag. Met behulp van deze kenmerken kun je berekenen hoeveel vragen de studenten goed zouden moeten beantwoorden voor een voldoende (Soeting & Haykens, nd).
Methode Nedelsky
De methode Nedelsky is een relatieve cesuurbepalingsmethode, die alleen geschikt is bij de standaard meerkeuze toetsen. In deze methode moeten experts bij iedere vraag bedenken tussen welke alternatieven een student die de stof nét voldoende beheerst zou gokken (en welke alternatieven de student meteen zou afstrepen). Het aantal punten dat de gokkende student op deze manier gemiddeld zal halen (de gokkans voor deze student), wordt als cesuur genomen.
Methode Wijnen
Bij deze relatieve methode wordt de gemiddelde score van de studenten als uitgangspunt genomen. Wijnen neemt aan dat de gemiddelde student de leerdoelen voldoende beheerst en dus zou moeten slagen. Van de gemiddelde score wordt tweemaal de standaardmeetfout van het groepsgemiddelde afgetrokken om de cesuur te bepalen.
Een belangrijk voordeel van de methode Wijnen is dat de betrouwbaarheid van de toets meeweegt in de cesuur. Als een toets erg onbetrouwbaar is, valt de cesuur lager uit dan bij een betrouwbare toets.
Methode Cohen-Schotanus
Deze methode gaat uit van absolute normering: de studenten moeten X procent van het maximaal aantal punten halen voor een voldoende. Bij meerkeuze-items zou X als kennispercentage kunnen worden vastgesteld. Hierbij is een gokcorrectie nodig.
In de praktijk krijg je altijd een verlaagde cesuur. De methode grijpt niet rechtstreeks op het percentage gezakte studenten in en is gevoelig voor wisselingen in steekproeven. Deze manier van cesuurbepaling is niet geschikt voor herkansingen (Cohen-Schotanus, Van der Vleuten, & Bender, 1996).
Methode Hofstee
Als bij een absolute cesuur een hoger percentage studenten zakt dan je redelijkerwijze had mogen verwachten, dan kan het verlagen van de cesuur een oplossing zijn. Je gebruikt dan na de afname van de toets relatieve informatie bij het bepalen van de cesuur. Hofstee stelt voor dat je vooraf duidelijkheid moet geven over mogelijke aanpassingen op basis van de prestaties van de studenten (De Gruijter, 2008).
Cesuurkenmerken
Een cesuurmethode dient aan een aantal kenmerken te voldoen (Cohen-Schotanus, Schönrock-Adema, & Scherpbier, 2005):
- De betrokkenen moeten de (kwaliteit van de) toets beoordelen en het eens zijn over de te hanteren methode;
- De methode moet geloofwaardig zijn;
- De methode moet gebaseerd zijn op onderzoek;
- De methode moet eenvoudig te begrijpen en uit te voeren zijn (transparantie);
- De methode moet een realistische uitkomst opleveren. Dit betekent een geloofwaardig niveau en een acceptabel percentage geslaagden.
Tot slot
Er bestaat geen ‘perfecte’ methode om de cesuur te bepalen. Wel moet een cesuurmethode aan een aantal voorwaarden voldoen. De aanname dat 55% van de punten altijd tot een voldoende moet leiden, komt nog veel voor, maar klopt niet. Het is beter om voor elke toets de optimale cesuur te bepalen. Dat kan voor de ene toets 68% zijn, voor de volgende 60% en voor een derde 63% (Soeting, 2017).
Bronnen
Cohen-Schotanus, J., Schönrock-Adema, J., & Scherpbier, A. J. (2005). Welk percentage gezakte studenten is bij een bepaalde toetsvorm nog acceptabel? De mening van NVMO-congresgangers. Tijdschrift voor Medisch Onderwijs, 24(4), pp. 184 – 189.
Cohen-Schotanus, J., Van der Vleuten, C. P., & Bender, W. (1996). Een betere cesuur bij tentames. Onderzoek van onderwijs(25), pp. 54 – 55.
De Gruijter, D. N. (2008). Toetsing en toetsanalyse.
Eggen, T., Veldkamp, B., De Jong, J., & Haitjema, T. (2015). Waar ligt de cesuur? Een masterclass. (K. Heij, Red.) Toets!, pp. 24 – 29.
Rasch, G. (1960). Probabilistic models for some intelligence and attainment tests. Chicago: University of Chicago Press.
Soeting, J. (2017, augustus). 55% van de punten is (een) voldoende. Examens(3).
Soeting, J., & Haykens, E. (nd). Cesuurbepaling houdt veel meer in dan afspreken dat 55% een voldoende is. Opgeroepen op mei 2, 2024, van HU: https://husite.nl/toetsing-nieuw/wp-content/uploads/sites/299/2020/02/Cesuurbepaling.pdf
Van Berkel, H., Bax, A., & Joosten – ten Brinke, D. (Red.). (2017). Toetsen in het hoger onderwijs (4e ed.). Houten: Bohn Stafleu van Loghum.
Van Zanten, M. (2012). Naar een cesuur voor de Kennisbasistoets rekenen-wiskunde. Het Kanaal, 31(2).

