Waarom curriculumcoherentie geen luxe is, maar noodzaak.
Het onderwijs is in beweging. Misschien sneller dan ooit. Lerarenopleidingen hebben te maken met zij-instromers, flexibele routes, partnerschappen met scholen, nieuwe bekwaamheidseisen en veranderende maatschappelijke verwachtingen. En te midden van al die dynamiek staat één grote vraag centraal: “Hoe zorg je voor een samenhangend curriculum dat studenten houvast biedt?”
Tijdens een recent webinar van het Nationaal Kennisinstituut Onderwijs (NKO) doken Hannah Bijlsma, Ruben Vanderlinde en Jan Knuivers samen met gespreksleider Joost Hoebink in precies die vraag. Niet vanuit een ideaalplaatje, maar vanuit de weerbarstige praktijk van lerarenopleidingen.
Curriculum: meer dan een lijst vakken
Het woord curriculum gebruiken we vaak alsof iedereen hetzelfde bedoelt. Maar dat is niet zo. Ruben Vanderlinde, hoogleraar aan de Universiteit Gent, maakt meteen een belangrijk onderscheid dat helpt om scherper te kijken.
In curriculumonderzoek spreken we over drie ‘lagen’:
- het intended curriculum: wat we bedacht en op papier gezet hebben;
- het implemented curriculum: wat er daadwerkelijk gebeurt in lessen en stages;
- het attained curriculum: wat studenten uiteindelijk leren en meenemen.
In dit webinar lag de focus op het intended curriculum. Niet omdat de andere twee minder belangrijk zijn, maar omdat juist daar de ontwerpkeuzes worden gemaakt die richting geven aan alles wat volgt.
En lerarenopleidingen zijn daarin extra bijzonder. Je geeft immers onderwijs over onderwijs. Studenten leren niet alleen wat goed onderwijs is, ze ervaren het ook. Elke les, elke opdracht, elke toets is een voorbeeld. Of een tegenvoorbeeld.
Waarom samenhang ertoe doet
De wens voor samenhang – of coherentie – is geen modetrend. Er is stevig onderzoek dat laat zien waarom dit zo belangrijk is.
Wanneer studenten hun curriculum als samenhangend ervaren, ontwikkelen zij een sterkere professionele identiteit en hebben zij meer vertrouwen in hun eigen handelen (self-efficacy). Daarnaast begrijpen zij beter waarom ze leren wat ze leren. Met andere woorden: coherentie helpt studenten om zichzelf te zien als leraar-in-wording, in plaats van als iemand die losse vakken afrondt.
Een curriculum is pas coherent als de student het als coherent ervaart.
Drie vormen van coherentie
Onderzoeker Hannah Bijlsma onderscheidt drie manieren waarop samenhang in een curriculum zichtbaar kan worden. Het helpt om die expliciet te maken.
Verticale coherentie
Inhouden komen terug over de leerjaren heen. Wat je in jaar 1 introduceert, verdwijnt niet, maar keert terug in jaar 2 en 3 – verdiept en verfijnd. Denk aan klassenmanagement: eerst de basis, later complexere situaties.
Horizontale coherentie
Binnen één leerjaar zien studenten dezelfde principes terug in verschillende vakken. Algemene didactiek en vakdidactiek spreken dezelfde taal. Geen tegenstrijdige boodschappen, maar herkenning.
Spiraalvormige (of concentrische) coherentie
Dit is de meest complexe vorm. Thema’s keren niet alleen terug, maar worden steeds rijker. Differentiatie is daar een mooi voorbeeld van: eerst tijdens de les, later ook in voorbereiding, evaluatie, materiaalkeuze en toetsing. Deze spiraal is niet alleen cognitief, maar raakt ook aan houding en identiteit.
De praktijk is weerbarstig
Op papier klinkt het logisch. In de praktijk is het ingewikkeld. Jan Knuivers, hoofddocent en onderwijskundige bij de Pabo van de HAN, is daar eerlijk over. Een curriculum ontwerpen met 120 collega’s, verschillende leergebieden en meerdere partnerscholen vraagt een gedeelde taal,het maken van lastige keuzes en het soms loslaten van persoonlijke stokpaardjes.
Spiraalvormig werken betekent ook: niet alles kan overal. Keuzes maken is onvermijdelijk. Daar komt nog iets bij: curricula zijn nooit ‘af’. Instroom verandert, eisen verschuiven, teams wisselen. Curriculumontwikkeling is geen project met een einddatum, maar onderhoudswerk.
Flexibiliteit versus samenhang
Een terugkerend spanningsveld is dat tussen flexibilisering en coherentie. Gepersonaliseerde routes klinken aantrekkelijk – en zijn dat soms ook – maar ze zetten de samenhang onder druk.
Als elke student zijn eigen pad volgt, wie bewaakt dan de rode draad? Er is geen simpel antwoord. Wel een richting. Begin bij een heldere visie, bepaalwat vast moet staan en waar ruimte kan zijn en wees expliciet over die keuzes, naar collega’s én studenten.
Ontwerpen vanuit visie (en niet vanuit losse eisen)
Wat opvalt in het gesprek: steeds weer komt die visie terug. Niet als vaag document, maar als concreet kompas: “Wat voor leraar willen wij opleiden – en wat vraagt dat van ons curriculum?” Van daaruit kun je bekwaamheidseisen, kennisbases en leeruitkomsten een plek geven. Niet andersom.
Instructieprincipes als bouwstenen
In het gesprek komt ook het 4C/ID-model voorbij, een ontwerpmodel voor complexe beroepsvaardigheden (Merriënboer & Kirschner, 2007). Belangrijke principes daaruit zijn onder andere:
- werken met betekenisvolle leertaken;
- toenemende complexiteit;
- afnemende ondersteuning;
- en doelgericht oefenen van deeltaken.
In de praktijk vertaalt zich dat naar gespreid leren (spacing), herhaald ophalen van kennis (retrieval) en feedback die meegroeit met de student. Belangrijk daarbij: wat logisch is binnen één cursus, kan problematisch worden als álle cursussen tegelijk hetzelfde doen. Ook daar vraagt coherentie om afstemming.
Samenwerking is geen bijzaak
Een opvallende uitkomst uit onderzoek (onder andere sociaal-netwerkanalyse bij lerarenopleiders) is dat samenwerking tussen opleiders sterk samenhangt met hoe coherent studenten het curriculum ervaren. Concreet betekent dit dat meer overleg leidt tot meer samenhang en tot meer vertrouwen bij studenten.
Dat maakt de rol van opleidingsmanagers cruciaal. Niet als bewaker van een document in een la, maar als iemand die tijd faciliteert, expertise zichtbaar maakt en curriculumcoherentie dagelijks agendeert.
De professionele identiteit
Coherentie gaat niet alleen over kennis en vaardigheden. Ook professionele identiteit – overtuigingen, houding, leraarschap – ontwikkelt zich spiraalvormig. Die ontwikkeling stopt niet bij het diploma. Ze loopt door in de inductiefase en verdere professionalisering. Juist daarom is afstemming met partnerscholen zo belangrijk: dezelfde taal, dezelfde verwachtingen. Samengevat: We geven onderwijs over onderwijs en willen daarin het goede voorbeeld zijn.
Bronnen
Merriënboer, J. J., & Kirschner, P. A. (2007). Ten Steps to Complex Learning. A Systematic Approach to Four-Component Instructional Design. New Jersey: Lawrence Erlbaum Associates.
Van Bemmel, R., & Folkerts, S. A. (2025). De honingraat als begeleidingsmethode bij het werken met leeruitkomsten in een flexibel curriculum. Tijdschrift voor Lerarenopleiders, 46(1).

