ResearchED 2017

De ResearchED 2017 op zaterdag 21 januari 2017 bezocht. Het was een prachtig en uitdagend programma en dat maakte dat het lastig was om te kiezen. Hieronder vind je een verslag van de gevolgde sessies op deze conferentie.

Persoonlijk leren: een uitdaging voor onderwijs?

Harold Bekkering, Hoogleraar Cognitieve Psychologie Persoonlijk leren is de nieuwe trend in onderwijsland. Het gaat over aanpassen aan het niveau, de leerstijl en de interesses van de leerling. In deze workshop bespreek ik graag met u een diepere uitdaging van persoonlijk leren; hoe kunnen we aansluiten bij het al geleerde? Ik zal voorbeelden van taal en dyslexie, en rekenen en dyscalculie voorleggen om de uitdaging duidelijk te maken. Leren bouwt nu eenmaal voort op het al eerder geleerde. Het blootleggen van bestaande kennis zie ik als de belangrijkste uitdaging van persoonlijk leren. 

Harold gaat in op de functies van de hersenen tijdens het leren. Onze hersenen bouwen een model van de wereld. Dat model kunnen wij niet uitschakelen en daardoor kunnen we ook niet uitschakelen wat we al weten. Leren gebeurt daarmee stelselmatig; je bouwt altijd voort op bestaande kennis. Voorkennis bepaalt bijvoorbeeld ook wat we begrijpen van een tekst die wel lezen. Hoe beter het model in je hersenen is, des te beter kun je overleven. Onze hersenen zijn een voorspellingsmachine; wat we waarnemen worden beïnvloed door wat de hersenen al weten en door onze emoties. Er kwamen vragen van deelnemers over wat dit voor autisme of het leren betekent. Het zou dus best zo kunnen zijn dat autisme te maken heeft met een disfunctionerende voorspellingsmachine in de hersenen waardoor autisten de prikkels die ze krijgen niet kunnen plaatsen en zich afsluiten.

De tiener, zijn brein en het onderwijs: over structuur, sturen en inspireren

Jelle Jolles, Hoogleraar Neuropsychologie De tiener is ‘werk in uitvoering’ in zijn persoonlijke groei maar ook in zijn hersenontwikkeling. Het brein is belangrijk voor het functioneren van de tiener. Maar het zijn prikkels uit de omgeving die bepalen hoe en in welke richting de tiener zich ontwikkelt. Daarin speelt de leraar een centrale rol. Hij is de motor van de talentontwikkeling. Toegepast wetenschappelijk onderzoek suggereert dat de leerling/tiener actief moet worden gestimuleerd en geïnspireerd. De leerling verwerft dankzij de leraar neuropsychologische vaardigheden die essentieel zijn voor zijn schools functioneren, leerprestaties en studiemotivatie. Het gaat om de z.g. executieve functies. Deze berusten op de functionele rijping van bepaalde netwerken in de hersenen. Maar dit proces wordt in gang gezet en onderhouden door leraar en opvoeder. In deze presentatie worden handvaten aangereikt voor de onderwijspraktijk met een nadruk op de manier waarop zelfinzicht, planningsvaardigheid en andere executieve functies kunnen worden ontwikkeld. Daarin wordt een onderscheid wordt gemaakt tussen jong-, midden- en laat-adolescenten.

Leraren kunnen gebruik maken van inzichten over de lerende tiener, waarbij het gaat over de persoonlijk ontwikkeling, vaardigheden, beleving en gedachten. Een dialoog met de tiener is erg belangrijk. Je zou een tiener kunnen zien als ‘Werk in uitvoering’. Een tiener ontwikkelt zich op 4 domeinen: Fysiek, Cognitief, Emotioneel en Sociaal.

Omdat de hersenstructuren nog gevormd dienen te worden, ontwikkelt elke tiener zich in een ander tempo en de ontwikkeling per domein loopt niet parallel. Tieners kunnen dan ook vaak meer dan je uit cijfers (cognitief) kunt halen. Zelf ervaringen opdoen en oefenen is belangrijk voor tieners. Als ouder, opvoeder en leraar kun je de tiener ondersteunen bij executief functies (plannen, uitvoeren en controleren van gedrag) en kun je vragen stellen die het zelfinzicht vergroten.

“Ouders, leraren en coaches zijn hoveniers in het hersentuintje van de adolescent. Zij onderhouden het gewas, zorgen voor cognitieve en emotionele voeding en beschutting en begeleiden de groei. Daarmee scheppen zij de voorwaarden voor de persoonlijke ontplooiing.” (Jolles, 2016)

Trap er niet in!

Casper Hulshof, docent opleiding Onderwijskunde Voetbal en onderwijs lijken wel een beetje op elkaar: vanaf de zijlijn regent het adviezen over hoe het beter kan in het veld. Het onderwijs bevindt zich dan ook in een treurige staat, zeggen sommigen. Het roer moet om, alles moet anders, want in een steeds sneller veranderende wereld dreigen scholen steeds meer uit de pas te lopen met de realiteit. U kent deze woorden wel, ze komen regelmatig langs via allerlei media. En tijdens kleine en grote conferenties, lezingen, en bovenal bij verschillende enorm populaire ‘TED talks’ en Youtube-videos. Sommige experts weten heel goed wat scholen allemaal moeten toevoegen aan hun lesprogramma. Anderen benadrukken allerlei zaken waarin docenten hopeloos tekortschieten. En weer anderen bekritiseren het onderwijs zelf: van de hokjesgeest en de cijfergekte, tot de school die het kind elke lust tot zelfredzaamheid ontneemt. Je zou er moedeloos van kunnen worden. Maar is dat terecht? Ik denk dat het wel meevalt, en dat de overtuigingskracht van dergelijke praatjes vooral schuilt in het gebruik van retorische middelen. Al een aantal jaar probeer ik die praatjes-voor-de vaak door te prikken, en ik wil u laten zien en ervaren om welke middelen het dan gaat. Ik presenteer adviezen waaraan u veel kunt hebben als u weer eens wordt geconfronteerd met de zoveelste onderwijsroeptoeter. Het eerste krijgt u alvast: trap er niet in! 

Helaas was het lokaal waar Casper sprak overvol :-(. Via de PowerPoint presentatie na afloop heb ik geprobeerd een beeld van het verhaal te vormen, maar zonder toelichting is dat niet echt mogelijk. Jammer en volgende keer beter. Daarom in aula gaan luisteren naar het verhaal van Tom Bennett.

How can school and teachers become more research engaged?

Tom Bennett, Director researchED, Docent, Auteur Belangrijkste wat ik onthouden heb, is dat Tom adviseert dat docenten en schoolleiders meer interesse zouden moeten tonen in (onderwijs) onderzoek en welke impact dat onderzoek heeft voor de werkpraktijk. Zodat ze daarmee beter kunnen worden in hun vak.

Wat Werkt en Waarom (WWW)?

Paul Kirschner, hoogleraar Onderwijspsychologie Paul begint duidelijk: devices uit en weg om zo volledige aandacht voor zijn verhaal te vragen. Na 20 minuten krijgen we dan een ‘Twitterpauze’; een moment om onze mobiel etc. voor de dag te halen. Uit onderzoek blijkt namelijk dat we om de ruim 4 minuten op onze mobiel kijken.

Over onderwijs gaan nogal wat mythes de ronde. Veel daarvan werkt niet maar er zijn ook aanpakken die wel werken. Op de website van de learning scientists kun je veel materiaal vinden. Zo vind je daar ook de 6 strategieën voor effectief leren. Uit deze strategieën blijkt dat effectief leren bestaat uit:

  1. Verspreiden van leerstof over langere periode
  2. Oefenen om leerstof in hersenen te verweven
  3. Uitleggen van leerstof met zoveel mogelijk details
  4. Taken afwisselen
  5. Verschillende voorbeelden gebruiken om leerstof te begrijpen
  6. Combinatie van woord en beeld 

Paul benoemt daarbij een zogenaamd overzicht van TOPS EN FLOPS.

TOPSFLOPS
Verspreid leren
Oefenen
Oefentoetsen
Bevragen
Student zelf uitleg laten geven
Ezelsbruggen
Verbeelden
Samenvatten
Highlighten
Herlezen

Vervolgens licht Paul het door hem vertaalde onderzoek van Barak Rosenshine toe. Rosenshine schrijft in zijn artikel ‘Principles of Instruction. Research-Bases Strategies That All Teachers Should Know” een tiental instructieprincipes die elke leraar zou moeten weten en toepassen (Rosenshine, 2012). Dat artikel, en dan vooral de vertaling van Paul, heb ik gebruikt bij mijn laatste opdracht voor de studie Onderwijswetenschappen.

Wapen je tegen onzin

Pedro de Bruyckere, onderwijswetenschapper Pedro De Bruyckere vertaalde het boek “When can you trust the experts?” van Daniel Willingham naar het Nederlands. In dit boek toont bestsellerauteur Daniel T. Willingham hoe je feit van fictie kunt onderscheiden als je het zinnetje hoort ‘onderzoek zegt dat’. In het boek en in de lezing beschrijven Willingham en De Bruyckere wat goede wetenschap is, hoe je die kunt herkennen en waarom we vaak zo goedgelovig zijn voor slecht onderbouwde en foute claims. 

Pedro heeft samen met Paul Kirschner en Casper Hulshoff het boek “Jongens zijn slimmer dan de meisjes – 35 mythes over leren en onderwijs’ geschreven. In dat boek nemen de auteurs een aantal hardnekkige clichés over onderwijs onder de loep. Uit het onderzoek blijkt dat er nauwelijks wetenschappelijke onderbouwing is voor de aannames die men doet rondom onderwijs. Daarmee pleit Pedro ervoor dat je streng moet zijn in waar je in gelooft. Ook onderzoekers hebben namelijk meningen en vallen dan met conclusies in de zg. Confirmation Bias oftewel horen wat je wil horen. De mythes rondom dat klasgrootte ertoe doet of het effect van al dan geen zomervakantie in het onderwijs kunnen niet wetenschappelijk onderbouwd worden. Wel blijkt er bijvoorbeeld effect als ook de sociale achtergrond van studenten in overweging wordt genomen. Zoek dus zelf naar bewijs voor wat je denkt. Waar wel wetenschappelijk bewijs voor is gevonden, is dat 15 minuten sporten een positieve bijdrage levert aan het leren. Pedro noemt daarbij The Classroon Experiment van onderstaande film als voorbeeld.

Onderwijsvragen 

Claire Boonstra, founder oe Education Hoe vaak hoor je niet: “Onderwijsvernieuwing is prima, zolang we het goede maar behouden”, “We moeten het kind niet met het badwater weggooien” en “Je experimenteert nou eenmaal niet met kinderen”. Al deze uitspraken gaan er van uit dat er heel goed is nagedacht over het systeem zoals we dat nu kennen. Maar is dat zo? Is het logisch zoals we het nu doen? Want waarom hebben we eigenlijk jaarklassen, lange zomervakanties, 10-minutengesprekken, centrale eindexamens en lesroosters? Waarom geven we cijfers en huiswerk, en waarom kunnen kinderen blijven zitten? Waarom zijn scholen ingedeeld naar geloofsovertuiging en is het heel moeilijk om nieuwe scholen op te richten? Hoe is het zo gekomen? Wat zijn de voor- en de nadelen, en zijn er alternatieven? Hoeveel wetenschappelijke onderbouwing is er voor onze onderwijsgebruiken? Wat zegt die onderbouwing? Hoe kunnen we de materie vanuit alle verschillende perspectieven belichten? Waartoe dient het eigenlijk? En: zelfs als uit onderzoek blijkt dat lang niet alles onderbouwd of goed blijkt te zijn, waarom blijven we er dan toch mee doorgaan?

Met de serie #Onderwijsvragen verkent Claire met hulp van vele collega-sprekers op ResearchED de gewoontes in ons onderwijs. Tijdens de workshop deelt Claire haar bevindingen en eerste (in ieder geval voor haarzelf) soms verrassende conclusies en gaat ze in gesprek met de deelnemers over de #onderwijsvragen.

De laatste presentatie van deze inspirerende dag. Claire heeft de afgelopen periode #onderwijsvragen gesteld en met de antwoorden vanuit veel verschillende invalshoeken probeert ze de discussie te voeren rondom het huidige onderwijssysteem. Waarom doen we de dingen die we doen? Er blijkt ook nauwelijks wetenschappelijk bewijs voor de dingen die we doen, onze zogenaamde huidige status quo. Soms is er juist wel onderbouwing, maar blijkt dat wat we altijd al doen, juist schadelijk is voor het onderwijs.

Omdat het moeilijk is om een systeem uit een systeem te krijgen, zijn er in de ogen van Claire een aantal paradigma shifts nodig:

  1. Herdefinitie hoe we succes meten en meetbaar maken;
  2. Herontwerp hoe we onderwijs ontwerpen en onderwijs leveren, inclusief infrastructuur.

Bronnen

Jolles, J. (2016). Het tienerbrein. Amsterdam: Amsterdam University Press B.V. 

Rosenshine, B. (2012). Principles of Instruction. Research-Based-Strategies That All Teachers Should Know. American Educator