Innoverende arbeidsmarkt en scholing

Gisteren volgde ik de seminar ‘Innoverende arbeidsmarkt vraagt om andere kijk op scholing’. Deze bijeenkomst was een initiatief van het Platform Opleiding & Ontwikkeling en het Landelijk Overleg Scholingsfondsen (LOS). Het LOS overleg bezoek ik normaliter altijd namens het scholingsfonds van onze branche.

Prof. Dr. Peter van Lieshout, hoogleraar maatschappij wetenschappen en oud WRR-lid, Doekle Terpstra, aanjager techniekpact en zorgpact, en Minister Lodewijk Asscher van SZW gaven hun visie op die veranderende arbeidsmarkt en scholing voor iedereen. Carmen de Jonge van het Platform O&O fondsen verzorgde het dagvoorzitterschap en leidde het debat na afloop.

Visie Peter van Lieshout

Leervermogen wordt in de toekomst de bepalende factor voor succesvolle economieën stelt Peter van Lieshout. Een belangrijke vraag daarbij is hoe je als onderwijs en arbeidsmarkt het leren weten te organiseren. Het onderscheid tussen leren en werken zal steeds meer verdwijnen. We gaan over van banen naar opdrachten, routines zullen verdwijnen. De markt vraag om korte opleidingen, vooral digitaal.

Visie Doekle Terpstra

Doekle pleitte vooral voor regionale samenwerkingsverbanden in plaats van landelijk top-down beleid. Hij vraagt zich ook af hoe we om kunnen gaan met cross-sectorale bewegingen.

Visie Lodewijk Asscher

Welke beroepen blijven en welke verdwijnen? Wat het antwoord daarop ook is, elke werkende zal aan zijn of haar inzetbaarheid moeten blijven werken. De overheid kijkt naar mogelijkheden om permanente educatie te faciliteren en te reguleren. Hiervoor is intersectorale samenwerking nodig. Maar ook een aanjagende rol van werkgevers op het gebied van ontwikkelgesprekken en organisatie van formeel en informeel leren. Vooral de lager opgeleide medewerker heeft hier naar verwachting baat bij. De samenwerking met onderwijs is essentieel; welk onderwijs hebben onze kinderen nu nodig om zich straks op de arbeidsmarkt staande te houden?

Achtergrond

De wereld verandert razendsnel. Kijkend naar de arbeidsmarkt is de verwachting dat robotisering en technologisering een grote stempel gaan drukken op de vraag naar arbeidskrachten. Werk verandert van inhoud en van vorm. Vast omschreven banen maken plaats voor een behoefte aan wisselende competenties. Creativiteit en sociale competenties worden belangrijker. Vakmanschap blijft belangrijk als het bij kan dragen aan innovatie. Werk is tijdelijk, wisselend, en niet plaats en tijd gebonden. Maar wat betekent dat voor de werkende? Hoe weten we de snelheid van verandering te volgen? In deze toekomst wordt van de werkende verwacht dat hij zelf vorm en inhoud geeft aan zijn/haar loopbaan. Dat betekent dat hij /zij zich blijft ontwikkelen, en beschikt over voldoende creativiteit en sociale competenties en een up to date vakmanschap. De werkgever biedt de werkende geen baan meer voor het leven maar heeft een verantwoordelijkheid om de werkende te faciliteren en mogelijkheden tot ontwikkeling te bieden.

Sociale partners kunnen hier in een cao en als bestuurders van O&O-fondsen kaders voor stellen, maar het vraagt ook een blik over de sectorgrenzen heen. Ook de overheid zoekt nog naar de rol die zij hierin kan spelen, blijkt ook uit de advies aanvraag die naar de SER is gegaan over de gevolgen van technologische ontwikkelingen – waaronder robotisering – voor de arbeidsmarkt. De minister vroeg zich recent nog af, of er wellicht een scholingsplicht ingevoerd zou moeten worden.